Spiegel, herinnering, camera: welke liegt het minst
Er zijn drie manieren om jezelf te zien spelen — de herinnering, de spiegel, de camera — en elk houdt een ander stukje van je vast.
Elke muzikant draagt een beeld mee van hoe hij eruitziet tijdens het spelen. Dat beeld is samengesteld uit drie bronnen, en die drie zijn het zelden eens. Er is de herinnering aan de sessie, van binnenuit geschreven terwijl het gebeurde. Er is de spiegel, die meteen antwoord geeft. En er is de camera, die niets zegt tot later. Elk van de drie beweert je jezelf te tonen. Elk laat iets weg.
De herinnering, de mildste getuige
De herinnering is de vriendelijkste van de drie, en de minst betrouwbare. Ze legt vast wat je aandacht bereikte, en je aandacht gaat tijdens een lastige passage bijna helemaal naar de noten. Daardoor bestaat de herinnering aan het spelen vooral uit klank, hier en daar gevuld met de lichaamssensaties die luid genoeg waren om door te dringen. De opgetrokken schouder, de geklemde kaak, de ingehouden adem — ze bleven onder de drempel en werden dus nooit opgeschreven. Je herinnert je niet dat je gespannen speelde. Je herinnert je de lijn.
De spiegel, eerlijk maar bezet
De spiegel spreekt de waarheid, maar vraagt er iets voor terug: een tweede taak. Om hem te gebruiken moet je je aandacht splitsen tussen de muziek en je eigen weerspiegeling, en die splitsing verandert wat je ziet. Mensen voor een spiegel hebben de neiging zich te fatsoeneren — net iets rechter te gaan zitten, het gezicht te ontspannen, een versie van gemak op te voeren. De spiegel toont het heden, en dat is precies het moment dat je je het minst kunt veroorloven te bestuderen terwijl je er nog doorheen moet spelen.
De camera, laat en onverschillig
De camera is de enige van de drie die je aandacht niet nodig heeft. Ze bewaart de delen waar je geen ruimte voor had en speelt ze terug wanneer het spelen voorbij is en je eindelijk kunt kijken. Ze vleit niet en ze onderbreekt niet. Wat in het moment als niets voelde — een schouder die naar het oor kruipt, een gezicht dat verstrakt vóór de moeilijke maat — staat er gewoon, bewaard, omdat het lichaam het aan de buitenkant toont voordat het vanbinnen wordt gevoeld.
De herinnering vergeet het lichaam, de spiegel leent je aandacht, en de camera wacht.
Niets hiervan zet de drie op volgorde of vraagt je je eigen geheugen te wantrouwen. De herinnering en de spiegel hebben geen ongelijk; ze zijn alleen bezet, en het lichaam houdt zijn stilste aantekeningen elders bij. Het valt enkel op te merken dat de minst vleiende getuige ook de geduldige is — de getuige die het moment stilhoudt tot je klaar bent om te zien wat er altijd al in zat.